Genetica

In 2006 is het FOP gen ontdekt door het onderzoeksteam van de Universiteit van Pennsylvania

Mensen met FOP hebben een terugkerende mutatie op een BMP type 1 receptor genaamd ACVR1, gelegen op chromosoom 2 q 23-24.
Het ACVR1-gen in chondrocyten en fibroblasten heeft de mutatie 617G->A. Dat geeft in de ACVR1-eiwitten de mutatie R206H. Daardoor zijn de wissels in de activin pathways geblokkeerd zodat het signaal steeds langs de p38MAPK gaat. Daaruit volgt dat elke progenitor cel zich uiteindelijk ontwikkelt tot osteoblast. ACVR1 wordt uitgedrukt in veel weefsels met inbegrip van skeletachtige spier en chondocyten. Ieder persoon heeft twee verschillende genen. Een persoon met FOP heeft een normaal gen en een gemuteerd gen. Het signaal kiest meestal voor het normale gen en soms voor het gemuteerde gen.

Een fout in het erfelijke materiaal.

Bron: www.ifopa.org, vertaling: Kim Grootscholten

Wanneer het skelet gevormd wordt in het embryo, geeft informatie in het erfelijke materiaal (de genen) aan, waar en hoe het bot gevormd moet worden.

Bij FOP bestaat er een fout (een mutatie) in één van de genen die zorgt voor botvorming. Hierdoor verandert de informatie die het gen afgeeft. Dit leidt in de embryonale ontwikkeling tot misvormingen van de grote teen, een afwijking die vaak gevonden wordt bij de geboorte van kinderen met FOP. Dit gemuteerde gen blijft het hele leven signalen afgeven aan het lichaam. Zo zorgt het ervoor dat na de geboorte extra bot gevormd wordt, daar waar dat niet zou moeten gebeuren.
Het lijkt erop dat een mutatie in één enkel gen verantwoordelijk is voor alle vervormingen van het bot die bij FOP voorkomen. Het doel van onderzoek is het identificeren van dit gen, zodat er betere behandelmethoden kunnen komen.

Patronen van overerving

Fibrodysplasia Ossificans Progressiva is een autosomaal dominantie afwijking. Dit betekent dat iemand die de FOP-afwijking draagt (en dus een mutatie heeft in het normale gen), ook de ziekte zal hebben en deze zal overdragen aan gemiddeld de helft van zijn/haar kinderen.

Meestal ontstaat FOP door een nieuwe mutatie. Dit houdt in dat er per ongeluk iets mis gaat in het gen op het moment dat een zaadcel een eicel bevrucht en er een nieuw embryo ontstaat. De ziekte wordt dan dus niet overgeërfd van één van de ouders.

Een familielid van iemand met FOP heeft niet meer kans op het krijgen van een kind met FOP dan gemiddeld (als het tenminste zeker is dat dit familielid de mutatie niet draagt en dus ziekte niet heeft). Deze gemiddelde kans is één op twee miljoen.
In de meeste gevallen heeft een kind met FOP ouders die niet aangedaan zijn. In die gevallen moeten ouders weten dat het krijgen van nog een kind met FOP erg klein is (tenzij er sprake is van een kiembaan-mozaïek, waarbij de mutatie aanwezig is in een deel van de geslachtscellen van één van beide ouders). Iemand die FOP heeft, zal een kans van 50% hebben om het aangedane gen, en dus de ziekte, door te geven aan zijn of haar kind. In alle gevallen is het raadzaam om met vragen over erfelijkheid contact op te nemen met de behandelend arts en/of de klinische genetica.