FOP Symposium in het Marriott Hotel te Amsterdam
27 november 2010

Op 27 november 2010 vond het tweede FOP symposium in Nederland plaats in het Marriott hotel te Amsterdam. Wij zijn het Marriott hotel wederom zeer dankbaar voor hun tegemoetkomingen in de kosten en de goede verzorging. Onze donateurs willen wij bedanken voor hun steun omdat wij op deze gronden subsidie hebben verkregen zodat wij deze dag konden organiseren.
Het was een leerzame dag, de lezingen bevatten veel nieuwe bevindingen. In het bijzonder genoot de informatie over exon skipping van Prof. Dr. Peter ten Dijke van het Leids Universitair Medisch Centrum veel belangstelling.
Tot onze spijt waren Prof. Dr. Kaplan en Dr. Eileen Shore van de universiteit van Pennsylvania dit jaar verhinderd. Wij hopen dat zij beiden volgend jaar weer aanwezig zullen zijn.

klik op de fotootjes om de grote versie te zien

symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010
symposium 2010

Wij bedanken alle aanwezigen die deze dag tot een succes hebben gemaakt. Hier volgen de samenvattingen van alle lezingen:


Tandarts Elinor Bouvy-Berends en mondhygiëniste Annemieke van de Broek hielden een lezing.
“Wat kan een Bijzonder Tandheelkundig Centrum voor u betekenen en voor u doen?



Elinor vertegenwoordigt het Centrum Bijzondere Tandheelkunde Rijnmond in Rotterdam.
Het CBT regisseert het mondzorgplan voor iedere patiënt met andere disciplines op het gebied van mondzorg.
Zij illustreert dit prachtig d.m.v. een schilderij van Jozef Israel “Kinderen der Zee” die gefocust naar hun bootje kijken. Het bootje symboliseert tijdens de lezing de mondzorg.
Elinor Bouvy-Berends vulde de gegevens aan die zij miste in het hoofdstuk “Mond- en gebitsproblemen” in het gidsboek voor families.
Voor lokale verdoving zijn verschillende technieken mogelijk. De zogenaamde mandibulaire blokanesthesie wordt ten sterkste ontraden bij FOP. De naald gaat hierbij door de spierbundels heen naar de zenuw wat bij mensen met FOP tot ernstige botvorming kan leiden en kan bijdragen tot een beperkte mondopening.
Wat wel kan is infiltratieanesthesie; met een lidocainezalf wordt eerst het plekje verdoofd op de plaats waar later de injectie gegeven wordt. De infiltratietechniek geschiedt in de omslagplooi waar de vloeistof wordt ingebracht vlakbij de wortel en daar verdeelt de vloeistof zich in het losmazige weefsel, dit is een veilige techniek voor mensen met FOP.
Daarnaast is er de mogelijkheid tot STA (single tooth anesthesie) hiermee kan een enkele kies of tand verdoofd worden. Hierbij wordt verdovingsvloeistof ingebracht in de tandkas tussen de tand en het tandvlees. Deze verdovingen kunnen door een CCLAD Computer Controlled Local Anesthesia Delivery Machine gegeven worden. In Nederland is “the Wand” het bekendste apparaat, hiermee kan via een kleine injectie naald, door de computer gedoseerd, verdovingsvloeistof rondom een enkele tand of kies zonder druk ingebracht worden.
Annemieke van de Broek vertelde ons over “tips en trucs”. Er is een nieuw middel dat sinds 2002 vanuit  Australië op de markt is en die in drie varianten verkrijgbaar is. Het middel bevat natuurlijke eiwitten: Recaldent caseine, CPP (casein phosphopeptide) en ACP (amorphous calcium phosphate). De drie varianten zijn: Dry Mouth Gel, Tooth Mousse en MI paste plus. Tandarts en mondhygiënist  zullen aangeven welke variant het meest geschikt is voor de patiënt. Annemieke waarschuwt ons het middel niet te gebruiken bij melkallergie.
Voor hulpmiddelen kunnen wij ook op de site kijken van het orofaciale ( mond en gezicht) centrum Mun -H -center in Zweden. URL: http://mun-h-center.se/sv/Mun-H-Center

 

Prof. Dr. Peter ten Dijke (moleculaire Celbiologie) van het Leids Universitair Medisch Centrum hield een lezing over het afwijkend ALK2 eiwit in FOP patiënten wat cellen overgevoelig maakt voor BMP botgroei- factoren en hij gaf ons uitleg over de medische behandeling exon skipping.



Peter legde ons via een PowerPoint presentatie het onderzoek uit dat gedaan is door het LUMC in samenwerking met de universiteit van Twente en in 2009 gepubliceerd is in het wetenschappelijke blad “Journal Bone and Mineral Research”.
Hij legde uit hoe de gemuteerde ALK2 FOP receptoreiwit werkt en dat er groeifactoren worden uitgescheden door de ene cel die worden herkend door andere cellen en zich dan binden aan bepaalde eiwitten die op een celoppervlak zitten. Daarna vindt er een activatie plaats binnenin de cel en die zet dan weer cellen aan tot verandering in vorm en functie.
Er is onderzoek gedaan naar gewone cellen met normaal ALK2 en met cellen waarin de FOP-ALK2-receptor voorkwam. Hij liet ons zien dat de FOP-cellen sterker reageren op BMP maar dat zij ook actief waren in afwezigheid van BMP. Hij legde uit dat er geen rem (FKBP12) zit op de gemuteerde receptor.
Hij legde ons ook exon skipping uit als mogelijke toekomstige behandeling voor FOP. 
De afdeling Humane Genetica van het Leids Universitair Medische Centrum heeft al succes geboekt bij de aandoening van Duchenne, waarbij een eiwit inactief is, en door middel van exon skipping techniek weer gedeeltelijk actief wordt.
Nu geen bootje van Jozef Israel maar dit keer een schematisch bootje waarvan het anker is losgeslagen door een gebroken touw. Het touw dat gebroken is symboliseert het stuk waardoor de genetische code voor dystrofine niet correct kan worden afgelezen.
Bij Duchenne hebben zij door exon skipping AON de genetische code weer kunnen herstellen en leesbaar gemaakt en zit het anker weer verbonden aan het bootje.
Door de nieuwe genetische code kan er weer een gemodificeerde vorm van dystrofine worden aangemaakt waardoor mensen met Duchenne een lichtere spieraandoening krijgen, namelijk de ziekte van Becker.
De exon skipping strategie is niet zondermeer toe te passen op FOP aangezien de ziektemechanismen geheel anders zijn. Daarom wordt deze strategie nu eerst uitgeprobeerd op celmodellen en toegepast op een FOP muis model uit het FOP laboratorium van Eileen Shore/Fred Kaplan zo gauw deze beschikbaar komt.

Dr. Marelise Eekhoff,  Dr. Nathalie Bravenboer en Prof. Coen Netelenbos van het Vrije Universiteit medisch centrum.

Prof. Dr. Coen Netelenbos schetste ons aan de hand van een Power Point presentatie de volgende informatie over het FOP laboratorium van Prof Dr. Fred Kaplan / Dr.Eileen Shore.



Dr. Kaplan vergelijkt FOP terecht met de Mount Everest van alle botziekten. De top wordt hopelijk binnenkort bereikt.

Het was Meiqi Xu die het gen ontdekte in 2006 als mutatiefout R206H in de ACVR1 (ALK2) receptor. Eerst dachten we aan een te hardwerkende receptor, of een soort knop die altijd aanstaat maar het blijkt iets ingewikkelder dan wij dachten.
Normale personen hebben een slot op de ACVR1 receptor. De receptor bij FOP patiënten zit niet op slot of een heel klein beetje op slot en daardoor is de receptor hyperactief.
Dr. Kaplan vergelijkt de receptor graag met een handgranaat waarvan het slotje een pin is. Maar wanneer deze pin er uitgetrokken wordt (bijvoorbeeld als gevolg van een spiertrauma) ontploft de granaat en geeft een enorme explosie.

Mary Mullens van de Universiteit van Pennsylvania, heeft veel onderzoek gedaan met zebravisjes en BMP’s. Zij werkt samen met het laboratorium van Kaplan/Shore en doet onderzoek in de embryonale fase van het visje. Met de receptor ALK8  bij de zebravis zie je dezelfde werking als de ALK2 bij mensen. Hiermee kun je in de embryonale fase de ontwikkeling van de staart volgen. Normaal zie je een mooie uitgroei van de staart, maar bij de ALK8 wijkt deze af.
Prof. Charles Hong van de Vanderbilt Universiteit, heeft onderzoek gedaan met het stofje dorsomorphin dat remmende invloed heeft op het BMP systeem. Dit stofje gaat in het enzym van de receptor zitten en remt de BMP vorming door onderdrukking van SMAD signaaleiwitten. Maar omdat dit ook ingrijpt op andere nuttige stoffen van het BMP systeem is het klinisch dus niet toepasbaar.
Het eerste muizenmodel na de ontdekking van het gen blijkt een afwijkend ALK te hebben maar is niet precies dezelfde mutatie (R206H), maar (Q207D) ligt er vlak naast en is dus wel enigszins bruikbaar. De muizen hebben ook een afwijkende teen en calcificaties waardoor het toch een interessant model is waar je proefjes mee kunt doen om de effecten van BMP onderdrukkende stofjes na te gaan. Het gaat om “familieleden” van dorsomorphin welke small molecules worden genoemd. Een van deze stofjes is LDN 193189. Hiermee zijn zij aan de slag gegaan in een de gemuteerde muis en het blijkt dat de ziekelijke verbotting kon worden tegengehouden.
Het laatste muizenmodel waarover nog geen officiële publicatie is uitgekomen is in het laboratorium van Dr. Shore en Dr. Kaplan in Pennsylvania ontwikkeld. Muizen met het echte FOP gen gaan meestal dood waardoor dit model niet te gebruiken is. Maar door chimera muizen te ontwikkelen ontstaat er wel een goed muizenmodel met alle FOP afwijkingen die we bij de mens ook zien. Een chimera muis wordt geboren nadat in de baarmoeder van de moeder in de bevruchte eicel gemanipuleerde embryonale stamcellen worden gebracht.
Recent (21 november 2010, Nature Medicine) is ontdekt dat endotheelcellen die zich aan de binnenkant van de bloedvaten bevinden in samenwerking met BMP4 en ALK2 kunnen veranderen in mesenchymale stamcellen. Dit zijn oercellen vanwaar uit vetweefsel, bindweefsel, kraakbeen en bot kan ontstaan.

Dr. Nathalie Bravenboer hield een voordracht over “Histologie van het bot”.



In het VUmc zijn er 1200 bot biopten, hiervan heeft zij er acht uitgekozen van verschillende mensen met diverse ziektebeelden. Zij vertelde ons dat het bot bij mensen met FOP er van binnen normaal uitziet. Alleen zijn hier nooit biopten van gemaakt omdat het niet mogelijk is bij een FOP patiënt een biopt af te nemen in verband met de gevolgen van trauma.
Het skelet bestaat uit verschillende soorten botten en de laatste kennis daarover is dat niet alle botten hetzelfde zijn, het bot in een dijbeen is bijvoorbeeld niet hetzelfde als bot in een wervel of als bot in de schedel. De cellen die in de verschillende soorten bot zitten zijn niet helemaal identiek en kunnen daardoor anders reageren op prikkels en zullen ook anders functioneren. Zij laat ons een stukje bot van een werveldoorsnede zien. Aan de buitenkant bevindt zich het compacte bot, wat heel dik is en wat voornamelijk uit botweefsel bestaat. In het midden bevindt zich het trabeculaire bot, dit zijn de zogenaamde botbalkjes. In het biopt uit de kop van het dijbeen zie je nog duidelijker de botbalkjes zitten, ze worden met name gevormd in de richting waarin de kracht op je botten drukt.
De cyclus van botopbouw gebeurt altijd in dezelfde volgorde. Het begint als in een kleine microstructuur, eerst maken de osteclasten, dit zijn grote cellen die het bot afbreken, een lancune oftewel een soort gat, vervolgens worden er signalen aan de osteoblasten afgegeven, die dan een nieuwe botmatrix aanmaken en als ware het gat weer op vullen. Sommige osteoblasten sluiten zich in en worden dan osteocyt, andere osteblasten platten af en worden een liningcel, die dan het bot aan de buitenkant bedekt. Hetzelfde gebeurt ook in het compacte bot, alleen niet aan de oppervlakte maar binnen in het bot, de osteoclasten graven een soort tunneltjes en dan vullen daarna de osteoblasten de ruimte weer op met een nieuwe matrix wat dan weer nieuw bot is en daarna pas verkalkt. We noemen dat osteonen.
Ook heeft zij ons de procedure uitgelegd vanaf het afnemen van het biopt tot het microscopisch preparaat. Het stukje bot wordt afgenomen uit de bekkenkam, een bot dat zich redelijk dicht aan de huidoppervlakte bevindt met behulp van een soort appelboor, daarna wordt het biopt in een glazen potje gefixeerd, ofwel zodanig bewerkt dat de cellen niet meer in leven zijn maar dat wel alle eiwitten en factoren behouden blijven zodat deze later in het weefsel zijn terug te vinden. Vervolgens wordt het ingebed in plastic die er als vloeistof opgaat en daarna hard wordt (gepolymeriseerd). Dit plastic wordt gebruikt omdat het ongeveer dezelfde hardheid heeft als bot en we het biopt daardoor in zeer dunne plakjes van 5 micrometer kunnen snijden, dit kan alleen als de gehele hardheid van het blokje weefsel gelijk is. Vervolgens worden de plakjes in het laboratorium gekleurd en kunnen we het door de microscoop bekijken en beoordelen.

Dr. Marelise Eekhoff hield een lezing over de “toekomstige ontwikkelingen in het VUmc”.


Het thorax insufficiëntie syndroom verdient de nodige aandacht bij FOP.
Dr. Kaplan heeft van 60 FOP patiënten de doodsoorzaak en de leeftijd bij overlijden geregistreerd. Dit artikel is in 2010 gepubliceerd in “The Journal of Bone and Joint Surgery”.
Marelise wil daarom de problemen van de longen en het hart in kaart brengen om vroegtijdig iets te kunnen doen. Zij gaat bovendien regelen dat de patiënt op één dag beide functies kan laten screenen.

Marelise legt ons het functioneren uit van hart en longen met behulp van beeldmateriaal.
Zij legt ons tevens uit welke onderzoeksmethodes er voorhanden zijn:

Röntgenfoto Borstkas:
Je kunt een foto maken van de borstkas waarop de longen, het hart en de vaten te zien zijn. Hier heb je veel aan maar als er meer verbening is opgetreden zie je vooral de ribben en extra botvorming waardoor je de rest niet meer kan zien.

ECG (Elektrocardiogram):
Het hart functioneert door de energie van de sinusknoop. De energie (de elektrische spanning) kun je opvangen en weergeven door meetapparatuur. Op basis van de ECG kun je zeggen hoe het hart functioneert, of het ritme goed is en of een deel van het hart groter is geworden. Een ECG kan bij mensen met FOP heel goed gedaan worden.

Echocardiogram:
Het echocardiogram gaat iets moeilijker. Door middel van geluidsgolven kunnen we naar het hart kijken maar dan moeten deze geluidsgolven wel goed door de borstkas heen kunnen anders kun je het niet goed beoordelen. Marelise laat ons beelden zien wat met het echocardiogram zichtbaar gemaakt wordt. Hiermee kan het functioneren van het hart beoordeeld worden. Alleen door de verbening wordt het wel moeilijker om er met geluidsgolven doorheen te komen maar er kan meestal nog wel een plekje gevonden worden.

Buiten de ECG en Echocardiogram wil zij ook dat het functioneren van de longen gemeten wordt.
Het is belangrijk om hiervoor het zuurstof en het CO2 gehalte van het bloed te meten. Als de longen slechter worden dan wordt het CO2 gehalte in het bloed hoger.


Dr. Marelise Eekhoff vertelt ons over het komende onderzoek wat het VUmc gaat doen.
Het VUmc gaat fibroblasten (bindweefselcellen) kweken. Via een naald wordt er net onder de huid wat vetweefsel, waar stamcellen inzitten, weggehaald. Dit gebeurt zowel bij een groep gezonde mensen als bij mensen met FOP. Deze stamcellen kunnen normaal uitgroeien tot bindweefsel, spierweefsel en botweefsel. De stamcellen gaan in een kweekbakje en door signaalstoffen er aan toe te voegen willen zij onderzoeken naar welk type weefsel deze cellen zich ontwikkelen.

Irene Snijder houdt vanwege tijdgebrek een kortere toespraak.



Zij meldde dat de FOP Stichting Nederland internationale samenwerking belangrijk vindt, gezien het geringe aantal patiënten in Nederland en het geringe aantal wereldwijd. Bij de Internationale verenging IFOPA zijn er ongeveer 465 mensen met FOP geregistreerd. Samenwerking is voor de aandoening FOP van essentieel belang met het oog op medische bevindingen wereldwijd en klinische trials.
Zij bedankte met name Burçin Çolak (studente moleculaire celbiologie aan de VU) voor alles wat zij over FOP heeft vertaald in het Turks. Wij zijn haar zeer dankbaar en hopen dat hierdoor meer mensen gediagnosticeerd worden in Turkije. Zij kreeg een luid applaus van alle aanwezigen.

Presentatie MEE Amstel & Zaan door Mw Suzanne Kreté (Irene van der Meij door ziekte afwezig).
Vragen over leven met een beperking”.



De naam MEE is geen afkorting, maar symboliseert het MEEdoen in de maatschappij. MEE helpt mensen met een beperking bij alle vragen op het gebied van onderwijs, financiële mogelijkheden, woonsituaties, vervoersmogelijkheden etc.  
Als iemand met een beperking met behulp van enige aanpassingen in de maatschappij wil mee doen, dan krijgt diegene te maken met een doolhof aan instanties, regelgevingen en allerlei praktische problemen.
In dit doolhof weet MEE precies de weg en kent daarbij, door jarenlange ervaring, alle mogelijkheden om mensen zo goed mogelijk op weg te helpen om gewoon mee te kunnen doen in de maatschappij.
MEE levert mensen met een beperking deskundig en gratis een maatwerkadvies en werkt ook nog mee in de afhandeling van een aanvraag.
Er waren veel vragen in de zaal die beantwoord werden door Suzanne Kreté. Als u meer wilt weten kunt u de landelijke website bezoeken www.mee.nl

Drs. Dick Wernars, hypnotherapeut gaf een workshop over hypnotische technieken zoals verdiepte ontspanningsademhaling en stressmanagement.



De hypnotherapie-sessie van Dick Wernars begon in de namiddag, toen het buiten al donker was geworden. Een goed moment voor iedereen om, na een informatieve en wellicht ook intensieve dag, zich bezig te houden met iets dat meer ontspannen was. Helemaal niets doen was er niet bij. Met zijn zeer rustgevende stem stuurde hij zijn instructies de zaal in. De doelgroep was natuurlijk de groep mensen om wie de dag draaide, alles kon dan ook zittend op een stoel worden gedaan. De grootste handelingen worden niet door het lichaam, maar door de geest verricht en dit gold hier zeker. Dit vergt dan ook oefening, de mensen die de sessie hebben bijgewoond hebben hierdoor kennis kunnen maken met de hypnotische technieken. Wat er precies is gezegd zal ik hier niet verklappen, in ieder geval was het voor iedereen een bijzondere en een zeer ontspannende ervaring. Hopelijk zien we Dick bij een volgend symposium terug en anderen zullen Dick wellicht al eerder benaderen.



Het FOP Symposium was voor ons allen zeer leerzaam en gezellig en wij hopen van harte dat wij volgend jaar wederom de families en de sprekers mogen verwelkomen.